We hebben een merkwaardig beeld van een sterk mens.
Hij klaagt niet. Hij gaat door. Hij staat vroeg op, traint hard, werkt hard en laat zich door niets van zijn stuk brengen. Doet het pijn, dan zet hij door. Is hij moe, dan zet hij door. Zit het tegen, dan zet hij nog een tandje bij.
En als hij uiteindelijk instort? Dan had hij blijkbaar niet hard genoeg doorgezet.
Misschien moeten we dat beeld eens onder de loep nemen. Want doorbijten en doorgaan zijn niet hetzelfde. En wie die twee verwart, kan zichzelf behoorlijk lang voor de gek houden.
Je kunt alles goed doen en alsnog keihard op je bek gaan
Je kunt trainen, je voorbereiden, verstandig leven en leren omgaan met tegenslag. En dan ga je alsnog keihard op je bek.
Dat is geen mislukking. Dat is het leven.
Je kunt niet alle omstandigheden controleren, wel hoe je ermee omgaat. Dat klinkt als een cliché, totdat je echt iets op je bord krijgt waar je geen grip op hebt. Een blessure. Ontslag. Een scheiding. Een schuld. Een overlijden. Een conflict waar je niet uitkomt. Een periode waarin je simpelweg niet weet hoe je de volgende maand moet halen.
Op zo’n moment heb je weinig aan de gedachte dat je “gewoon sterk moet zijn”. De interessante vraag is: wat betekent sterk zijn eigenlijk?
Hard zijn is niet hetzelfde als sterk zijn
Hardheid heeft een goede reputatie. In de sport, in het leger, in het ondernemerschap, in de opvoeding. Soms terecht: discipline, zelfbeheersing en het vermogen om ongemak te verdragen zijn waardevol.
Maar hardheid heeft een schaduwkant. Je kunt ook te hard worden.
Je kunt pijn negeren die aandacht nodig heeft. Je kunt vermoeidheid verwarren met luiheid. Je kunt emoties wegdrukken en dat discipline noemen. Je kunt weigeren hulp te vragen omdat je denkt dat je het alleen moet kunnen. En je kunt jarenlang doorgaan met iets dat je allang had moeten veranderen.
Van buiten ziet dat er indrukwekkend uit. Van binnen kan het pure uitputting zijn.
Weerbaarheid is niet de afwezigheid van kwetsbaarheid. Het is het vermogen om kwetsbaarheid te verdragen zonder er volledig door bepaald te worden. Dat is een heel ander idee van kracht.
Je lichaam vertelt je soms iets wat je hoofd niet wil horen
Wie het moeilijk heeft, gaat vaak anders leven. Minder bewegen, slechter slapen, terugtrekken, meer eten, drinken of scrollen. En dan blijft er nog minder energie over om iets aan de situatie te veranderen. Zo ontstaat een vicieuze cirkel.
Daarom is bewegen interessant. Niet als wondermiddel, wel als een van de meest toegankelijke manieren om zelf invloed uit te oefenen.
Een groot overzicht in het BMJ uit 2024 bundelde 218 studies met ruim 14.000 deelnemers met een depressie. Wandelen of joggen, krachttraining en yoga gaven een merkbare daling van de klachten, en hoe intensiever de training, hoe groter het effect. Een meta-analyse in het British Journal of Sports Medicine (41 studies, ruim 2.200 deelnemers) vond zelfs een groot effect van sporten op depressieve klachten, vergeleken met niet sporten.
En het gaat niet alleen om mensen die al klachten hebben. Schuch en collega’s volgden in het American Journal of Psychiatry bijna 267.000 mensen, gemiddeld ruim zeven jaar lang. Wie meer bewoog, had minder kans om later een depressie te krijgen.
Maar hier zit een belangrijke nuance. Bewegen is geen bewijs dat je sterk genoeg bent om alles alleen op te lossen. Je kunt vijf keer per week trainen en ondertussen psychisch volledig vastlopen. Je kunt een ijzeren discipline hebben en toch hulp nodig hebben. Het een sluit het ander niet uit.
Misschien is motivatie wel het verkeerde uitgangspunt
We praten veel over motivatie. Maar motivatie is een slechte fundering: ze komt en gaat. Discipline is betrouwbaarder, maar ook die heeft grenzen. Niemand functioneert maandenlang als een machine.
Een betere vraag is daarom: hoe maak je je gedrag minder afhankelijk van hoe je je voelt?
Een vaste training helpt. Een vaste slaaproutine helpt. Een afspraak met een maat helpt. Niet omdat een systeem je leven oplost, maar omdat je op een slechte dag niet opnieuw met jezelf hoeft te onderhandelen. Je hoeft niet te beslissen of je gaat bewegen. Dat heb je al besloten.
Dat is iets anders dan jezelf elke dag opnieuw dwingen om “hard” te zijn.
En dan is er je hoofd
Lichamelijke actie is één kant van het verhaal. De andere kant speelt zich af in de betekenis die je aan gebeurtenissen geeft.
Je baas geeft je kritiek. Dat is de gebeurtenis. “Hij heeft een hekel aan mij” is jouw interpretatie. Je raakt geblesseerd: “mijn lichaam laat me in de steek”. Ook een interpretatie. Een relatie eindigt: “ik ben blijkbaar niet iemand om van te houden”. Opnieuw een interpretatie.
Psychologen noemen het bewust anders bekijken van zo’n situatie cognitieve herwaardering. Onderzoek van Gross en John (2003) liet zien dat mensen die dat vaker doen meer positieve emoties ervaren, betere relaties hebben en zich beter voelen, terwijl mensen die hun gevoelens vooral wegdrukken er slechter aan toe zijn.
Herwaarderen betekent niet dat je jezelf wijsmaakt dat alles positief is. Het betekent dat je onderzoekt of je eerste interpretatie wel de enige mogelijke is.
Niet: “Mijn baas heeft ongelijk en alles komt goed.” Maar: “Mijn baas heeft kritiek. Wat is terecht, wat niet, en wat kan ik ermee?”
Niet: “Deze blessure stelt niets voor.” Maar: “Deze blessure beperkt me. Wat kan ik voorlopig wel?”
Niet: “Mijn leven is mislukt.” Maar: “Welke delen van mijn leven werken nu niet, en waar begin ik?”
Dat is geen positief denken. Dat is je eigen denken aan een inspectie onderwerpen.
Hoe betrouwbaar is het verhaal dat je jezelf vertelt?
Een ongemakkelijke vraag. We nemen onze gedachten serieus omdat ze uit ons eigen hoofd komen. Maar je hebt vast weleens ergens heilig van overtuigd geweest en later ontdekt dat je ernaast zat. Je interpretatie was echt, maar niet per se waar.
Dat geldt zeker onder stress. Een moe brein ziet de wereld anders dan een uitgerust brein. Angst vernauwt je aandacht. Woede maakt sommige informatie groot en andere onzichtbaar.
Dus wanneer je hoofd zegt “dit komt nooit meer goed”, is de volwassen reactie niet automatisch “nee hoor, alles komt goed”. Maar: “Is dit een feit, of is dit wat mijn hoofd me nu vertelt?”
Dat kleine verschil kan enorm zijn.
Er zit nog een valkuil in doorbijten
Wie lang genoeg tegenslag krijgt, kan besluiten nergens meer om te geven. Dat voelt veilig. Wie niets verwacht, wordt niet teleurgesteld. Wie niemand nodig heeft, kan door niemand worden losgelaten. Wie niets voelt, heeft nergens pijn van.
Het probleem: dat systeem beschermt je niet alleen tegen pijn, maar ook tegen verbinding, plezier en vertrouwen. Je bent misschien moeilijker te raken, maar je leeft ook op afstand. Dat is geen weerbaarheid. Dat kan gewoon vermijding zijn.
Een sterk mens hoeft niet onkwetsbaar te zijn. Misschien is onkwetsbaarheid zelfs een onrealistisch doel. Een mens is kwetsbaar. De vraag is wat je met die kwetsbaarheid doet.
Dankbaarheid is geen ontkenning
Ook dankbaarheid heeft soms een slechte naam. “Kijk gewoon naar wat je hebt” is irritant als je midden in de ellende zit. Als je leven in elkaar dondert, heb je weinig aan iemand die zegt dat je dankbaar moet zijn voor je kop koffie.
Dankbaarheid wordt pas interessant als je het niet gebruikt om problemen weg te poetsen. Emmons en McCullough (2003) lieten mensen elke week concrete dingen opschrijven waarvoor ze dankbaar waren. Zij keken positiever naar hun leven en naar de week die kwam dan mensen die vooral ergernissen bijhielden.
Het punt is niet: “Ik heb problemen, maar gelukkig heb ik koffie.” Het punt is: “Mijn problemen zijn echt, maar ze zijn niet het enige wat echt is.”
Je kunt tegelijk zeggen dat je baan op dit moment verschrikkelijk is én dat er mensen om je heen staan die er voor je zijn. Allebei kan waar zijn. Je hoeft het goede niet te ontkennen om het slechte serieus te nemen.
Dus wat betekent doorbijten?
Misschien moeten we het woord opnieuw definiëren. Doorbijten is niet altijd doorgaan. Het is niet alles alleen kunnen. En het is zeker niet je gevoel uitschakelen.
Doorbijten betekent dat je de werkelijkheid onder ogen ziet en daarna handelt binnen de ruimte die je nog hebt. Soms is die ruimte groot, soms heel klein. Maar er is bijna altijd een verschil tussen “ik kan niets doen” en “ik kan dit ene ding nog doen”.
Dat ene telefoontje. Die wandeling. Dat gesprek. Die rekening openen. Die training. Die nacht slapen. Die hulpvraag.
Het lijkt klein. Maar als het grote plaatje buiten je macht ligt, zijn kleine acties vaak de enige waar je wél controle over hebt.
De test
Probeer het de volgende keer dat het tegenzit eens anders. Niet meteen jezelf toespreken, niet meteen harder trainen, niet meteen alles willen oplossen. Stel jezelf drie vragen:
- Wat is er feitelijk aan de hand?
- Wat maak ik ervan in mijn hoofd?
- Wat kan ik nu echt beïnvloeden?
En dan de belangrijkste: wat is mijn volgende zet? Niet je volgende jaar. Niet je hele leven. Je volgende zet.
Misschien is dat uiteindelijk wat doorbijten werkelijk betekent. Niet dat je nooit valt, nooit twijfelt of altijd sterk bent. Maar dat je, nadat de werkelijkheid je een klap heeft gegeven, opnieuw leert kijken. En dan beslist: wat doe ik nu?
Het gezeik komt toch
Je kunt niet voorkomen dat je geraakt wordt. Je kunt wel bepalen wat je met die klap doet.
Misschien sta je meteen op. Misschien blijf je even liggen. Misschien heb je een maat nodig die je overeind helpt. Alle drie horen bij hetzelfde proces.
Want uiteindelijk gaat het niet om hoe hard je bent. Het gaat erom of je jezelf blijft herkennen wanneer het leven je probeert te veranderen.
Word niet hard om het hard zijn. Word sterk genoeg om mens te blijven.
Hard voor jezelf, goed voor je maten.
Zit je al langere tijd vast in somberheid of stress? Dat los je niet op door harder door te bijten. Praat erover met je huisarts.
Bronnen
- Noetel M, et al. (2024). BMJ, 384, e075847. doi:10.1136/bmj-2023-075847
- Heissel A, et al. (2023). British Journal of Sports Medicine, 57(16), 1049–1057. doi:10.1136/bjsports-2022-106282
- Schuch FB, et al. (2018). American Journal of Psychiatry, 175(7), 631–648. doi:10.1176/appi.ajp.2018.17111194
- Gross JJ, John OP (2003). Journal of Personality and Social Psychology, 85(2), 348–362. doi:10.1037/0022-3514.85.2.348
- Emmons RA, McCullough ME (2003). Journal of Personality and Social Psychology, 84(2), 377–389. doi:10.1037/0022-3514.84.2.377

Geef een reactie